Achtergrond

Dé aanleiding voor de Nederlandse regering om een Nationale Rampenvloot in het leven te roepen was de watersnoodramp van 1953. Die eiste honderden slachtoffers in de provincies Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. De oprichting werd mogelijk dankzij financiering vanuit het Nationaal Rampenfonds (NRF).


Voor deze eeuw berekent het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) een zeespiegelstijging van 35 tot 85 centimeter. Bovendien heeft Nederland te maken met ontwikkelingen als bodemdaling, kanteling naar het westen en noorden, meer neerslag (ook in de zomer), meer waterafvoer via de rivieren en toenemende verdroging als gevolg van hogere temperaturen. Hierdoor neemt de kans op overstromingen in ons land de komende jaren toe. Het bestaan van de Nationale Reddingsvloot blijft dan ook van groot belang. Onderzoek uit 2016, uitgevoerd door bureau HKV Lijn in Water, toont aan dat ‘de kosten van de investering in een reddingsvloot opwegen tegen de waarde van de slachtoffers die worden voorkomen’. Daarmee is een economische argumentatie gevormd om te blijven investeren in het operationeel houden van een reddingsvloot.

Wordingsgeschiedenis NRV
Sinds 1995 krijgt Reddingsbrigade Nederland een structurele bijdrage vanuit de Rijksoverheid. Hiermee wordt gegarandeerd dat er 90 eenheden (vletten) 24 uur per dag en zeven dagen in de week paraat staan voor inzet. Deze eenheden zijn deels in bruikleen gestald bij de lokale reddingsbrigades en liggen deels in opslag in een depot in Wijk bij Duurstede. Een eerste grote inzet van de Nationale Rampenvloot vindt plaats in 1993 bij de watersnood in Limburg, Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel. Ook in 1995 en 1998 wordt de vloot ingezet bij overstromingen in zuidelijk Nederland.

In 2010 wordt voor een periode van vijf jaar een overeenkomst afgesloten met het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De Nationale Rampenvloot wordt hiermee overgeheveld van het Rijk naar de veiligheidsregio’s. Er komen 75 eenheden in bruikleen bij aangewezen reddingsbrigades. In 2012 wordt de naam Nationale Rampenvloot veranderd in Nationale Reddingsvloot (NRV). Deze kán worden ingezet bij overstromingen, maar ook bij andere watergerelateerde calamiteiten of bij evenementen in, op of rond het water.

In 2016 en 2017 wordt de eerder genoemde overeenkomst met het ministerie verlengd en wordt het voorstel ontwikkeld om te komen tot een toekomstbestendige regionale – en nationaal opschaalbare – reddingsvloot. Deze moet komen te vallen onder de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio’s. Het besluit om te komen tot een regionaal opgebouwde Nationale Reddingsvloot wordt genomen in juni 2017. Vanaf dat moment werken reddingsbrigades, verzameld in Reddingsbrigade Nederland, met de betrokken veiligheidsregio’s samen om de NRV handen en voeten te geven. Het Instituut Fysieke Veiligheid treedt daarbij op als aanspreekpunt voor de veiligheidsregio’s.

In 2018 is de NRV nieuwe stijl een feit. Het ministerie stelt dan alleen nog middelen ter beschikking voor de centrale coördinatie van de vloot. De veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor het operationeel houden van de noodzakelijke vaartuigen, en werken daarin samen met lokale reddingsbrigades.